Home » Hoofdstuk 2 Warmte

Hoofdstuk 2 Warmte

 

Wat is warmte ?

 

IJsjes en sneeuwmannen zijn “koud”. 

De zon, een kopje verse thee en een brandende kachel vinden we “warm”. 

Het krijgt telkens een andere vorm, maar het blijft energie.

 

 

Maar wat is warmte eigenlijk ? 

Warmte kun je niet vastnemen en niet zien. 

Eigenlijk is warmte dus iets behoorlijk geks.

 

Zouden we dan warmte kunnen “maken” ?  Jawel ! 

En zo ver hoef je niet eens te zoeken. 

Terwijl jij hier zit te lezen, ben je een heus warmte-fabriekje. 

Jouw lichaam doet nu immers zijn uiterste best

om je temperatuur op peil te houden. 

Maar voor wat, hoort wat ! 

Om die warmte te kunnen produceren,

moet je op regelmatige tijdstippen eten. 

Dat voedsel verandert binnenin je lichaam. 

Het geeft je de warmte die je lichaam nodig heeft. 

 

Warmte krijg je dus niet voor niets.  En dat is altijd zo. 

Kijk maar eens om je heen :

Moeder zet de aardappeltjes op het fornuis. 

Die worden warm.

Maar niet zomaar ! 

Het fornuis heeft gas of elektriciteit nodig

  

Als je je handen over elkaar wrijft, worden ze warm. 

Maar niet zomaar ! 

Je spieren moeten moeite doen om je handen te bewegen.

 

Een slang uit aluminiumfolie draait rond

boven een brandende kaars

Maar niet zomaar ! 

De kaars brandt en wordt korter om

de warmte te kunnen afgeven. 

Deze warmte doet de slang bewegen.

De zon schijnt op je huid.  Je krijgt het lekker warm.

Maar niet zomaar !       

De zon moet de warmte halen uit de deeltjes

waaruit ze is opgebouwd.

 

In al deze voorbeelden verandert er “iets” in “iets anders”. 

Dat “iets” noemen we energie. 

Het krijgt telkens een andere vorm maar het blijft energie.

 

Warmte is energie.

Elektriciteit is een soort energie.

Licht is energie.

In onze zon zit energie.

In beweging van dingen en mensen schuilt energie,

zoals bij een loper,of een rijdende auto.

Ook in ons voedsel zit energie.

 

Wat is temperatuur ?

 

Een lekker vriesweertje vindt een Eskimo zalig. 

Een Afrikaan daarentegen voelt zich het best bij grote hitte.

De mens is dus niet zo’n goed instrument om temperaturen te meten. 

Wie het beter kan, is de thermometer. 

 

De thermometer vertelt ons hoe warm iets is. 

Dat is de temperatuur. 

De maateenheid van de temperatuur is de graad Celsius. 

Dat schrijf je zo : ° C. 

Het bolletje lees je als “graden”. 

De C lees je als “Celsius” (spreek uit selsiejus). 

Celsius is de naam van de onderzoeker die deze temperatuurschaal uitgevonden heeft. 

 

Uitzetten en krimpen

Stoffen die warmer worden, zetten uit. 

Ze worden langer, breder of dikker. 

Dat is zo voor vaste stoffen voor vloeistoffen en gassen .

Het omgekeerde geldt ook.  Stoffen die afkoelen, krimpen in.

 

Hoe dat komt ?  Wel, stel je even het volgende voor. 

Het is een stralende zomerdag in de grote vakantie. 

Je wekker rinkelt, je hupt je bed uit, rent naar beneden. 

Na een stevig ontbijt hol je naar buiten. 

Je zit propvol energie, je wil rennen, springen, schreeuwen,...

Met de deeltjes in een stof gaat het net zo. 

Hoe hoger de temperatuur, hoe lekkerder de deeltjes zich voelen. 

Hoe meer ze in het rond willen springen. 

En dus ook : hoe meer plaats ze nodig hebben. 

 

Als je goed kijkt, zie je rondom je heel wat voorbeelden van uitzetten en inkrimpen.

 Elektriciteitsdraden zetten uit in de zomer en krimpen in de winter.

 


De pijlers van bruggen staan op rolletjes. 

Een brug zet uit door verwarming. 

Door ze op rolletjes te leggen kan men voorkomen

dat de pijlers waarop ze rust, worden weggeduwd.


Geleiders en isolatoren

 

Sommige stoffen geven gemakkelijk warmte door

Door een metalen plaat onderaan een kookpan wordt soep

heel gemakkelijk warm. 

Dat is goed, want zo wordt ons eten sneller gaar. 

Op het moment dat we de kookpan van het vuur willen nemen,

is het wel even anders. 

Gelukkig bestaan er ook stoffen die nauwelijks warmte doorgeven,

zoals plastic. 

Van zulke stoffen maakt men handvaten om aan een kookpan te bevestigen.

 

Stoffen die de warmte gemakkelijk doorgeven of geleiden, noemen we warmtegeleiders.

bijvoorbeeld : koper, ijzer. 

De meeste metalen geleiden de warmte goed.

 

Stoffen die de warmte moeilijk of helemaal niet doorgeven,

noemen we isolatoren.

bijvoorbeeld : hout, plastiek, lucht, papier, kurk.

 

Enkele toepassingen :

 

Een thermosfles kan urenlang iets ijskoud of gloeiend heet houden. 

De fles bestaat voor een deel uit isolerende materialen. 

Er gaat dus geen warmte naar binnen  of geen warmte naar buiten (bij hete koffie in de thermos bijvoorbeeld).

Draag je in de winter een hemdje, een T-shirt, en twee dunne truien boven elkaar, dan heb je ‘t warmer dan met één superdikke trui alleen. 

Waarom ? 

Wel, tussen al deze dunne laagjes zit telkens een laagje lucht. 

Lucht is een goede isolator. Het laat je lichaamswarmte niet door.