Home » Hoofdstuk 5 het weer » 5.2 Neerslag

5.2 Neerslag

Bij neerslag gaat het om het vallen (neerslaan) van water.
De meeste neerslag valt in de vorm van regen of sneeuw.
Andere vormen van neerslag zijn ijzel, hagel, mist en dauw.


In welke vorm de neerslag valt, hangt af van de temperatuur tijdens het vallen van de neerslag en de temperatuur van de grond:

 

Als de temperatuur tijdens het vallen van de neerslag steeds onder de 0°C is, krijg je sneeuw.

 

Is de temperatuur het laatste stuk boven de 0°C dan krijg je regen.

 

Als de neerslag eerst smelt en daarna weer bevriest, krijg je hagel.

 

IJzel krijg je als er regendruppels op de een bevroren grond vallen.

 

Dauwdruppels krijg je als het na een mooie dag 's nachts flink afkoelt.
Waterdamp condenseert dan vlak boven de grond.

 

Mist is eigenlijk niets anders dan een laag hangende wolk.
De waterdruppeltjes zijn zo klein dat ze in de lucht blijven zweven.